Algemeen :
Mestvergisting is het bewaren van mest in een (opgewarmde) gesloten ruimte waarbij door omzetting
onder invloed van bacteriën een gas vrijkomt. Het opgewekte gas kan vervolgens worden gebruikt in
een WKK installatie. Deze produceert warmte en stroom. De warmte wordt gebruikt voor de installatie
zelf en voor andere installaties waar warmtevraag aanwezig is. De elektriciteit wordt in eerste
instantie intern gebruikt en kan worden teruggeleverd aan het net. Voor een mestvergisting installatie
zijn een aantal onderdelen noodzakelijk. De belangrijkste onderdelen zijn:
Opslagruimte voor de onvergiste mest
Vergister
Gasbuffer
Warmte/Kracht installatie
Opslagruimte voor vergiste mest
Leidingnetwerk, pomp en inbrengsystemen
Juridisch aspect :
Er zijn 2 mogelijke opties voor een boer om mest te gaan vergisten, het kan enkel met eigen
mest of ook met mest van derden. Juridisch gezien zijn er verschillen aangezien een boer die
mest van andere bedrijven verwerkt gezien kan worden als afvalverwerker.
In de situatie dat de boer enkel eigen mest wil verwerken, is het juridisch gemakkelijker.
Er is een bouwvergunning en een milieuvergunning noodzakelijk. Het formaat van de installatie
is bepalend voor wie het bevoegde gezag is.
Algemeen :
Covergisting werkt volgens hetzelfde principe als mestvergisting. Naast mest wordt er aan de
biomassa nog andere producten toegevoegd zoals gras, maïs of andere producten. Het kan financieel
aantrekkelijker zijn om te investeren in covergisting dan te investeren in een mestvergistinginstallatie.
Ten eerste is de energiecapaciteit van de biomassa hoger, waardoor er meer biogas vrijkomt. Ten tweede
omdat de installatiecapaciteit groter wordt. Er moet echter wel rekening gehouden worden met kosten voor
het covergistingsmateriaal, waardoor de investering toch nadelig kan uitvallen.
Juridisch aspect :
Wanneer covergisting op boerderijschaal wordt toegepast moet de MINAS in acht worden genomen, aangezien
de samenstelling van de mest door de toevoegingen wijzigt, zal er verantwoording moeten afgelegd voor
deze wijziging. Het is belangrijk dat het eindproduct nog voldoet aan de eisen voor een meststof en
niet groter is dan de maximale toegestane waarde/ha. Er is een speciale witte lijst beschikbaar van
landbouwstoffen die zonder meer kunnen worden covergist.
Verbranden van hout kan op boerderijschaal interessant uitpakken. Het verbranden van eigen
restproducten uit de landbouw of het stoken van hout kan dienen als vervanging van aardgas.
Het toepassen van houtverbranding in samenwerking met een stoomturbine is niet aantrekkelijk
aangezien de boerderijschaal hiervoor te klein is. Verbranding van mest komt wel voor, maar
hierbij moet veel geïnvesteerd worden om de emissies te beperken en dit kan alleen met droge
mest. Dit maakt het onaantrekkelijker om te investeren in mestverbranding.
Juridisch aspect :
Een verbrandingsinstallatie moet voldoen aan de emissie eisen namelijk:
Nederlandse Emissierichtlijn en moet hier voldoen aan de bijzondere regeling voor
schoon hout verbranding. Tot 2007 moet de installatie voldoen aan de NER algemeen.
(NER, 1992).
Toen Rudolf Diesel zijn "eerste" dieselmotor ontwierp, gebruikte hij als brandstof plantaardige
(noten) olie. Ook nu kunnen dieselmotoren draaien op plantaardige olie mits deze zijn uitgerust
met een geschikte brandstofpomp en inspuitsysteem.
Landbouwgrond kan naast voedselproductie ook voor energieteelt worden aangewend. In het Nederlandse
klimaat is koolzaad hiervoor een interessant gewas. Met een opbrengst van 3 tot 5 ton koolzaad per
hectare kan gemiddeld rond de 1.400 liter puur plantaardige olie (p.p.o.) worden geperst. De overblijvende
koolzaadkoek is eiwit rijk en kan dienen als veevoer.
Deze olie kan na filtering in principe worden gemengd met diesel zonder het voertuig te moeten aanpassen.
Indien het voertuig wordt aangepast met onder andere een warmtewisselaar dan kan er op pure plantaardige
olie worden gereden. De koude start van de motor is op diesel. Wanneer de p.p.o. voldoende is verwarmd
wordt hierop overgeschakeld.
Juridisch aspect :
Nederland kent in tegenstelling tot Duitsland geen algemene accijnsvrijstelling voor bio-brandstoffen.
Op basis van de wet op de accijns, artikel 25 lid 2, volgt dat plantaardige oliën aangemerkt moeten worden
als minerale oliën indien ze worden gebruikt als motorbrandstof. Derhalve moeten er ook accijnzen worden
afgedragen bij het gebruik van zelf geproduceerde koolzaad olie.
Wel bestaan er plannen om biodiesel accijnsvrij te maken. De vraag is echter of puur plantaardige oliën
ook hieronder komen te vallen. In het kader van het klimaatbeleid bestaat de mogelijkheid om voor (kleinschalige)
projecten een accijnsvrijstelling te verkrijgen. Er is reeds een vrijstelling gegeven voor een project in
Groningen.
De koud geperste olie is niet snel ontvlambaar en niet sterk bodemverontreinigend. Op basis van deze
eigenschappen zijn er geen grote juridische drempels te verwachten wanneer men het gaat produceren en
opslaan.